| |
|
Het mannetje is onmiskenbaar door zijn leiblauwe kruin en nek, roodbruine rug, wijnrode onderzijde en groenachtige stuit. Het wijfje is minder bontgekleurd maar heeft dezelfde vleugeltekening. In vlucht zijn de witte vleugelstreep en schoudervlek karakteristiek. Zang: De zang of, liever gezegd, het 'slaan' van de vink is een luidruchtige aangelegenheid en begint langzaam, neemt stadig in snelheid toe en eindigt gewoonlijk in een weelderige cascade van tonen. De zang varieert in feite van vogel tot vogel sterk en er zijn zelfs verschillende 'dialecten' te onderscheiden ('Waalse' en 'Vlaamse' vinken). Het gehele lied duurt doorgaans 4 à 5 seconden, maar het wordt vijf- tot tienmaal per minuut herhaald. De alarmroep is een luid, doordringend 'pink, pink, pink'. Biotoop: De vink is in de eerste plaats een broedvogel van goed ontwikkelde loofbossen met veel open plekken en een rijke ondergroei maar daarnaast is hij overal talrijk waar veel oude bomen staan: bosjes, parken en halfopen cultuurlandschap Voortplanting: Het broedseizoen begint in april. Het wijfje legt gewoonlijk 4 à 5 lichtblauwe tot bruinachtig witte eieren. Ze broedt deze in 11 à 13 dagen uit. Beide ouders verzorgen de jongen, die na 12 à 15 dagen uitvliegen. |
![]() |